
De regen viel nog steeds toen het meisje van de kar afstapte. Dagenlang had ze mee gehobbeld, met een berg aardappels in de rug. Haar blote voeten, die onder de rok met rafels die onder de slijk zaten, liet ze over de rand bungelen, blij dat ze het hele stuk niet had hoeven lopen. Voor haar gevoel al een eeuwigheid geleden, had de storm gewoed en haar afgesneden van haar familie. Hoeveel tijd was er voorbij gegaan? Sinds wanneer voelde ze zich hier en niet daar en waar ze was geweest? Betekende het dat het nu later was of juist niet, was er dan geen tijd voorbij gegaan en hoeveel dan. In een ademtocht voelde ze de herinnering uit een ver verleden, onthecht in een dal vol tranen.
Adriaen Willemsz
Uit: Ontwakeningen
Verder op reis? Klik en bestel: